Opiniestuk – We worstelen met participatie. We denken het toch beter te weten.

Een opiniestuk van Guy Malfait op sociaal.net, 6 maart 2020:

‘We worstelen met participatie. We denken het toch beter te weten’

Wie is meer deskundig over armoede dan zij die er elke dag tegen vechten? Toch blijven we worstelen met participatie van mensen in armoede. De vooroordelen zijn hardnekkig. We denken het toch beter te weten. Dat stelt Guy Malfait van mensenrechtenbeweging ATD Vierde Wereld.

Vraag het hen zelf

Stel je bent architect en je krijgt de opdracht om een gebouw toegankelijk te maken voor blinden en slechtzienden. Hoe pak je dat aan?

Dat is een vraag die ik wel eens stel wanneer ik met studenten in gesprek ga over de strijd tegen armoede. Een pientere student suggereert om dat aan de blinden of slechtzienden zelf te vragen. Want wie beter dan iemand met een visuele handicap weet waar het gevaar schuilt en hoe dat best aangepakt wordt?

‘De strijd voor volwaardige participatie is nog niet gestreden.’

Wanneer mensen betrokken worden bij het zoeken naar oplossingen voor uitdagingen die hen rechtstreeks aangaan, zijn de oplossingen vaak verrassend efficiënt en duurzaam. Participatie heet dat.

Strijd nog niet gestreden

Dat is ook zo bij armoede. Wie is meer deskundig dan zij die elke dag vechten tegen armoede? Toch is het pas 25 jaar geleden dat voor het eerst in België een officieel armoederapport verscheen waar ook mensen in armoede aan meeschreven.

Ondertussen is een hele inhaalbeweging gebeurd. Denk bijvoorbeeld aan de 59 erkende verenigingen waar armen het woord nemen, verenigd in het Netwerk tegen Armoede. Maar de strijd voor volwaardige participatie van mensen in armoede is nog niet gestreden. In de praktijk wordt maar al te vaak over hun hoofden heen gepraat.

Niet zonder ervaringsdeskundigen

Neem nu Linda. Ze is sinds vele jaren vrijwilliger bij een vereniging waar armen het woord nemen. Ze neemt deel aan allerlei overlegmomenten. Dat gaat van een overleg georganiseerd door de cultuurraad van de stad tot een overleg met de ouderraad van de plaatselijke school.

De inzet is telkens dezelfde: men wil de stem van mensen in armoede horen. Linda maakt er een punt van om steeds in tandem met een ervaringsdeskundige te gaan. Lukt dat niet, dan gaat ze liever niet. Ze verantwoordt haar keuze: “Het is niet omdat ik al jaren samenwerk met mensen in armoede dat ik in hun plaats kan of mag spreken.”

Ook succesvol?

Toch vraagt ze zich steeds meer af of dat principe ook vruchten afwerpt.

Soms is de inhoud van het overleg heel technisch of wordt er vakjargon gebruikt waarvan zelfs Linda’s ogen gaan knipperen. Nota’s en voorstellen worden ter plekke uitgedeeld. Of men gaat er vanuit dat iedereen het de avond ervoor per mail doorgestuurde bundeltje van tien pagina’s grondig heeft gelezen.

‘Niemand vraagt of het allemaal wel lukt.’

Niemand die vraagt of dat allemaal wel lukt. Linda en haar ervaringscollega hebben het gevoel dat er geen rekening met hen gehouden wordt.

Gelijke posities

Het is fijn om via overleg iets in de pap te brokken hebben. Maar het wordt lastig als je toekomst afhankelijk is van enkele mensen die mee rond de tafel zitten. Kan je ongezouten je mening geven op een overleg met de sociale huisvestingsmaatschappij als je regelmatig te laat de huur betaalt? Of hoe vrij voel je je om te spreken op een overleg met de school als je kind wel eens spijbelt? Het brengt je in een ongelijke en weinig comfortabele machtsverhouding.

Van participatie kan pas sprake zijn als mensen in armoede hun mening en visie kunnen geven zonder gevaar voor hun inkomen of hun toekomst. Hoe kan je eerlijk en vrij je mening geven als die tegen jou kan gebruikt worden?

Makkelijk misbruikte woorden

Participatie beperkt zich al te vaak tot het dialoogmoment zelf. François deelde met ons zijn bezorgdheid na een voorvalletje op een overleg rond armoede en duurzame ontwikkeling. Op een bepaald moment schoof een kabinetsmedewerker mee aan tafel. Hij miste nog de sociale component voor een dossier over een CO2-taks. Helaas, het was een blitzbezoek. Na een uurtje was hij weer verdwenen.

‘Ervaringsdeskundigen worden vaak als ondeskundig gezien. Het trekken van conclusies reserveert men liever voor de ‘echte’ deskundigen.’

François was ongerust: “Ik weet niet wat die beleidsmedewerker heeft begrepen. Misschien gaat hij onze woorden niet gebruiken zoals we ze bedoelden. Misschien gaat die kerel er iets van maken waar ik het helemaal niet mee eens ben. Toch kan hij zeggen dat het niet zijn woorden zijn, maar die van ons, de ervaringsdeskundigen.”

François zijn ervaring is geen alleenstaand geval. Ervaringsdeskundigen worden nog te vaak als ondeskundig gezien wanneer het gaat om het uitzetten van een onderzoek, traject of strategie. Het trekken van conclusies of formuleren van aanbevelingen reserveert men liever voor de ‘echte’ deskundigen.

Veel goede wil

Toch is er ook veel goede wil. Wie mensen in armoede uitnodigt op een overleg doet dit veelal vanuit de overtuiging dat participatie belangrijk is. Waar loopt het dan vaak fout?

Mensen in armoede betrekken bij je organisatie heeft verregaande gevolgen. Daar wordt te weinig bij stilgestaan. Je denkt snel even hun mening te vragen, maar zo werkt het niet. Ongewild krijg je het deksel op de neus.

Betrek je mensen in armoede, dan word je vroeg of laat geconfronteerd met je eigen uitsluitingsmechanismen. Daar kan niet elke organisatie mee om. Nochtans betekent het toelaten van nieuwe spelers op het veld dat je uiteindelijk je spelregels zal moeten veranderen. Want het zijn net die spelregels die er vandaag voor zorgen dat dezelfde mensen steeds aan de zijlijn blijven staan.

Oefenen, oefenen, oefenen

Er bestaat dus geen participatie zonder confrontatie. Confrontatie met jezelf, met je organisatie en de eigen manier van denken en werken.

Uit eigen ervaring weet ik hoe diep onze vooroordelen zijn over mensen in armoede. We denken, bewust en onbewust, meer en beter te weten. Daarom blijven we worstelen met participatie.

Participatie is in de eerste plaats een langdurige en structurele samenwerking. Het is een proces, participatie is een werkwoord. En om werkwoorden onder de knie te krijgen, geldt slechts één regel: oefenen, oefenen en nog eens oefenen.

Zo’n complexe processen hebben tijd nodig. Tijd om samen voor te bereiden. Het per mail doorgestuurde bundeltje van tien pagina’s de avond voor het overleg werkt uitsluiting in de hand. Er is ook tijd nodig tijdens het overleg. Tijd om uitleg te vragen. Tijd om even na te denken. Maar overvolle agenda’s laten daar weinig ruimte voor.

Geen enkel overleg is perfect. Vandaar dat nabespreking en evaluatie noodzakelijk zijn. Het participatieproces wint erdoor aan kracht en inhoud. En daar wordt iedereen beter van.

Het is de moeite

Het Interfederaal Steunpunt tot bestrijding van Armoede bewijst al twintig jaar dat participatie met mensen in armoede de moeite is en zelfs noodzakelijk is. Maar ook dat het veeleisend is en dat het proces van participatie voortdurend moet bewaakt worden.

‘Het is veelzeggend dat iedereen op de overlegbijeenkomsten daar beroepshalve is. Ze worden betaald om daar te zijn. Dat geldt niet voor de mensen in armoede.’

Laat ik dat even heel concreet maken. Om de zes weken zijn er overlegbijeenkomsten bij het Steunpunt. Als wij vanuit ATD Vierde Wereld willen dat de ervaringsdeskundigen hier volwaardig aan kunnen deelnemen, moeten wij met de vrijwilligers tussen elk overleg twee keer een volle dag samenkomen om het volgend overleg voor te bereiden. Dat is een hele investering.

Het is met veel aarzeling dat ik het woord ‘investering’ in de mond neem. Het is veelzeggend dat iedereen op de overlegbijeenkomsten daar beroepshalve is. Ze worden betaald om daar te zijn. Dat geldt niet voor de mensen in armoede, die dat allemaal op vrijwillige basis doen.

Dit toont aan hoe groot de motivatie en het verlangen van mensen in armoede is om volwaardig deel te mogen nemen aan de samenleving. En om constructief bij te dragen aan een samenleving waar iedereen beter van wordt. Ze willen zich niet neerleggen bij de huidige situatie.

*Linda en François zijn schuilnamen

Deze tekst is een herwerking van de bijdrage aan het colloquium ‘Naar een duurzame armoedebestrijding’ van de Universitaire Stichting voor Armoedebestrijding (Universiteit Antwerpen) op 5 december 2019.