Wetenschap, ervaring en kruising van kennis. Over hoe de universiteit van Oxford en ATD samenwerkten om armoede beter te begrijpen.

Opgedrongen afhankelijkheid. Fysiek, geestelijk en emotioneel lijden. Strijd en verzet. Dat zijn drie dimensies die de kern uitmaken van wat armoede is. Daarrond: relatiedynamieken en deprivatie, te vatten in nog eens zes dimensies. Alle dimensies reageren met elkaar. En daar werken dan nog eens externe krachten op in, die te maken hebben met omgevingsfactoren en tijdsduur.

‘Mensen in armoede waren mede-onderzoekers. De kennis die we samen opgebouwd hebben willen we nu aan de wereld vertellen.’  Een gesprek met Marianne de Laat

Wat kon dit onderzoek je nog leren? Je was al betrokken bij armoedebestrijding in verschillende landen, jarenlang.

Wat me verraste is dat we tot negen gemeenschappelijke dimensies van armoede gekomen zijn. In Bangladesh  is de realiteit anders dan in de Verenigde Staten, maar de kern van armoede en hoe armoede voelt is overal hetzelfde. Het gaat duidelijk om meer dan materiële ontberingen. Het gaat ook, en misschien wel vooral, over hoe mensen samenleven met elkaar, over pijn en strijd.  Dat wist ik natuurlijk al. Maar het verrassende is dat we een gemeenschappelijke taal vonden over de grenzen van landen en culturen heen.

Een andere verrassing zijn de ‘positieve’ aspecten,  de vaardigheden die je verwerft door armoede. Het gaat dan over je plan leren trekken met weinig geld, recycleren, onderlinge solidariteit. Het is niet het eerste waar je aan denkt als je het over armoede hebt. We hadden lange discussies. Is het goed om een ‘positieve’ dimensie van armoede te benoemen? Armoede is toch niet positief ? Maar die vaardigheden worden vaak niet erkend. Ze hebben te maken met ‘strijd en verzet’. Mensen blijven niet bij de pakken zitten, zijn actief, en ook dat mag geweten zijn.

Waarom ben je gevraagd om mee te werken?

Van in het begin is gekozen voor ‘kruising van kennis’ als methodiek van het onderzoek. Daar was ik al jaren vertrouwd mee.  Ik begeleidde workshops in België en Frankrijk, en in Canada heb ik samen met twee universitaire onderzoekers een onderzoek over gezondheid geleid volgens de principes van ‘kruising van kennis’:  mensen in armoede, beroepskrachten in het sociale werkveld en academici werken samen, bevragen elkaars kennis om uiteindelijk samen nieuwe kennis op te bouwen die juister en vollediger is.
Maar om kruising van kennis mogelijk te maken volstaat het niet om mensen die zo verschillend zijn simpelweg rond een tafel te zetten. Dat vereist ervaring en een specifieke aanpak. Daarom ben ik gevraagd als pedagogisch begeleider in het internationaal coördinatieteam.  Met mijn collega Xavier Godinot en twee onderzoekers van de universiteit van Oxford, Robert Walker en Rachel Bray, werkten we een stappenplan uit voor het onderzoek en voor de vorming en ondersteuning van de onderzoeksteams in de zes landen.

Maar al snel kwam de vraag om ook het onderzoek in Frankrijk te leiden, samen met Elena Lasida, onderzoekster van het ICP, de katholieke  universiteit van Parijs. Ik vond het een mooie uitdaging om die twee sporen te combineren.

Wat werd verwacht van jou?

Mijn belangrijkste rol: mogelijk maken dat de verschillende soorten kennis zich ontwikkelen en elkaar bevruchten. We hadden daar ervaring mee in België, Frankrijk en Canada, maar was dit ook mogelijk in andere culturen? En tussen verschillende culturen? Het was niet altijd gemakkelijk! Zelfs al is iedereen die meedoet overtuigd dat mensen in armoede essentiële kennis bezitten, toch is het niet vanzelfsprekend dat mensen in armoede die kennis ook kunnen aanbrengen, dat ze gehoord en begrepen worden of dat er ook werkelijk rekening gehouden wordt met hun inbreng. En dit geldt  in zekere mate ook voor de beroepskrachten uit het sociale werkveld en de academici. Niemand is gewend om zo intens en op gelijke voet samen te werken met mensen die zo verschillend zijn en die elkaar normaal gezien niet tegenkomen, laat staan met elkaar spreken als volwaardige partners.

En wat was de taak van de andere deelnemers?

Hun kennis inbrengen.  En dat is makkelijker gezegd dan gedaan!
De nationale onderzoeksteams, samengesteld uit academici, beroepskrachten en mensen in armoede bestonden uit 8 à 15 mensen.  Ze verzamelden het onderzoeksmateriaal en moesten dit ook analyseren, interpreteren en rapporteren. Hun tijdsinvestering was zeer groot: 1 à 2 dagen per maand voor de academici en de beroepskrachten,  5 à 6 dagen per maand voor de mensen in armoede. En dit gedurende 2,5 jaar.
Dan waren er ook de ‘peer groups’: samengesteld uit 6 tot 8 mensen met eenzelfde bron van kennis (ervaringskennis, praktijkkennis of onderzoekskennis).  Ze werkten 1 à 2,5 dagen samen onder leiding van minstens twee mensen van het onderzoeksteam. Elk land organiseerde tussen de 12 en 35 peer groups. Via concrete oefeningen dachten ze na over wat armoede is, om vervolgens dimensies van armoede te definiëren. Elke peer group schreef zijn eigen rapport. Al deze rapporten waren deel van het onderzoeksmateriaal.  Zowel voor de onderzoeksteams als voor de peer groups hebben we niet alleen beroep gedaan op leden van ATD Vierde Wereld. In Frankrijk bijvoorbeeld, werkten we ook nauw samen met Caritas en met een sociocultureel centrum in Poitiers. In Bangladesh, waar ATD Vierde Wereld niet aanwezig is, werkten we samen met Mati, een plaatselijke vereniging.

Iets van Oxford gezien?

Ja hoor! Het eerste internationaal seminarie werd gefinancierd door de universiteit van Oxford en ging daar door. Op dat moment dachten we de grote lijnen uit van wat het onderzoek zou worden. De plaats waar we toen overnachtten en vooral de prachtige zaal waar we ontbeten gaven me het gevoel dat ik meedeed in een Harry Potter film!

Zijn er naast de resultaten van het onderzoek ook positieve ‘neveneffecten’ ?

Ik zou niet van ‘neveneffecten’ spreken. We hebben veel geleerd over hoe mensen met verschillende sociale en culturele achtergronden kunnen samenwerken. Dat vroeg veel creativiteit. Gender, huidskleur, opleiding, taal, culturele gewoontes… er waren zoveel barrières die een ware kruising van kennis in de weg stonden! Met een verwijzing naar Mark Twain: ‘Gelukkig wisten we niet dat het onmogelijk was, dus deden we het!’ We willen lessen trekken uit het proces dat we doorlopen hebben. Wat heeft goed gewerkt? Waarom?  Wat was moeilijk?  Wat maakte dat mensen op sommige momenten konden zeggen wat ze dachten en op andere momenten niet? Wat maakt dat we echt horen wat anderen ons zeggen? We gaan evalueren in de verschillende landen en ook op internationaal vlak. En in 2020 willen we een seminarie organiseren om ook deze resultaten bekend te maken.

Niet te verwaarlozen is wat het onderzoek teweeg bracht voor de mensen die eraan meewerkten. Deze manier van werken doet iets met je als persoon, dat is wel duidelijk geworden. En dat geldt voor alle deelnemers. Ook dat willen we beter begrijpen tijdens de komende maanden.

Zijn er mensen die je niet vlug zal vergeten, momenten die in je geheugen gebrand blijven?

Ik heb vele mooie maar ook moeilijke momenten meegemaakt. Als internationaal coördinatieteam  werkten we intens samen en ook hier deden we aan kruising van kennis. Rachel en Robert uit Oxford hechtten veel belang aan het wetenschappelijk karakter van het onderzoek. Xavier was bezorgd over de resultaten en hoe we ze kunnen gebruiken om de strijd tegen armoede op betere sporen te zetten, vooral internationaal. En mijn bezorgdheid was om te komen tot een ware kruising van kennis met mensen in armoede uit de zes landen. Dat leidde tot urenlange discussies over hoe we te werk moesten gaan. Dit was alleen mogelijk door een groot wederzijds respect voor elkaar en voor elkaars kennis en ervaring.

De jaarlijkse internationale seminaries waren telkens een hoogtepunt. Gemengde delegaties (mensen in armoede, beroepskrachten en academici) leefden en werkten dan samen gedurende 6 dagen en in 5 talen (Frans, Engels, Spaans, Bengaals en Swahili). Er werd gelachen maar ook geweend, en vooral heel hard gewerkt en nagedacht.

Armoede wordt steeds zichtbaarder in statistieken,  maar de cijfers tonen niet de  mensen die eronder lijden.  Heeft jullie onderzoek mensen meer zichtbaar gemaakt? Of zijn verhalen en literatuur daarvoor de beste weg?

We hebben de mens achter de armoede centraal gesteld. De dimensies spreken over wat het betekent in armoede te leven, over wat het doet met je persoon als je materieel niet rondkomt, als je uitgesloten wordt en je bijdragen aan de maatschappij niet erkend worden. Al deze dingen doen pijn, je voelt je machteloos. Soms laat je je gaan omdat het allemaal te veel wordt, en dikwijls vind je toch de kracht om er tegenin te gaan, om te blijven strijden, om elke dag toch weer op te staan, om mensen te helpen die het nog moeilijker hebben dan jou, om je in zeven bochten te wringen opdat je kind toch maar mee kan doen met de groep. Die pijn en die strijd zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat is wat het onderzoek ons ook geleerd heeft.

Natuurlijk kan dat ook door verhalen te brengen. Maar wie leest ze en welke conclusies trekt de lezer? Ik denk dat wat we deden een grotere impact zal hebben op plaatsen waar armoedebeleid en actieplannen bedacht worden.
Enerzijds waren mensen in armoede mede-onderzoekers. Zij werden niet onderzocht, maar ze onderzochten zelf. Ze waren geen bron van gegevens of verhalen die door anderen geanalyseerd werden, maar ze waren zélf een bron van kennis. De resultaten van het onderzoek zijn niet alleen gevalideerd door wetenschappers, maar ook door mensen van het sociale werkveld en door mensen die armoede aan den lijve ondervinden. Het gaat hier niet over één verhaal, of over vele verhalen. Het gaat hier om wetenschappelijke kennis die op een zeer rigoureuze manier is opgebouwd samen met mensen in armoede.
Anderzijds is het een wetenschappelijk onderzoek samen met de befaamde universiteit van Oxford. Meer dan 1000 mensen uit 6 verschillende landen hebben meegewerkt. En geloof me, dat opent deuren: van plaatsen waar nagedacht wordt over beleid, waar onderzoek gedaan wordt, waar actie gevoerd of gefinancierd wordt, waar mensen zijn die mee bepalen over hoe er naar armoede gekeken wordt in de wereld. Ik denk aan de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) waar we de resultaten voorstelden op 10 mei, aan de VN waar we begin juli te gast waren op het High Level Political Forum voor duurzame ontwikkeling. Ook andere internationale en nationale instanties hebben ons al gecontacteerd.

 

Marianne de Laat is sinds 1990 volontair van ATD Vierde Wereld en werkte in België, Canada, Duitsland en Frankrijk. Ze studeerde pedagogie aan de KULeuven.