“Vertrek vanuit een engagement zonder vooraf te oordelen”

Marleen Van Pevenage is leerkracht lager onderwijs en was twintig jaar volontaire bij ATD Vierde Wereld. Aan het begin van het schooljaar praten we over twee van haar grootste passies: onderwijs en armoede.

Hoe zorg je als leerkracht ervoor dat niemand achterblijft?

“Ik geef al 20 jaar les op dezelfde school in Overijse. In mijn klas, het vijfde leerjaar, zitten veel kinderen uit bevoorrechte milieus, maar er zijn ook kinderen die het thuis moeilijk hebben. De taak van een leerkracht is niet enkel leerstof aanbieden, maar ook kansen creëren voor kinderen. Ze moeten op school hun talenten kunnen ontdekken en groeien. Dat doe je door iedereen een gelijkwaardige plaats te geven. Het kan in de kleinste dingen zitten. Als we bijvoorbeeld zingen voor iemands verjaardag, doen we dat in alle talen die in de klas gesproken worden. Voor die verjaardagen vouwt ieder kind bij het begin van het schooljaar een complimentendoosje voor een klasgenootje. Daarbij bleek dat Anna, een meisje van Roemeense origine, heel goed was in origami, het vouwen met papier. Heel wat leerlingen kwamen vol bewondering kijken en wilden het graag van haar leren. Daar was ze erg van onder de indruk en ze zei mij dat ze dat nog nooit had meegemaakt. Die ervaring is voor dat meisje een opstap geweest en voor mij een aanknopingspunt voor de rest van het schooljaar. Oudercontacten zijn ook heel belangrijk om iedereen mee te krijgen. Bij het eerste oudercontact vraag ik altijd: ‘Hoe voelt uw kind zich? Komt uw kind graag naar school?’ Sommige ouders schrikken dan en vragen of er iets niet in orde is. Maar ik wil gewoon zeker zijn dat het kind zich goed voelt. Het brengt immers het grootste deel van zijn tijd op school door. Er moet een zorgzame sfeer zijn. Sinds kort hebben we op school een kernteam van leerkrachten die werken rond directie, beleidsondersteuning en zorgcoördinatie. Daar maken we zaken zoals armoede bespreekbaar en kan ik mijn vragen openlijk stellen. Is iedereen mee? Hoe kunnen we bepaalde kinderen en gezinnen het best benaderen? Ik heb het geluk dat die gevoeligheid in dat team samen gedragen wordt, ook al wordt er serieus gedebatteerd. Een ander initiatief op school is de huiswerkklas waarbij een leerling een ‘huiswerkbuddy’ is van een andere leerling; een leuke manier om kinderen met leerachterstand niet achter te laten.”

Hoe waren de laatste vier maanden van het schooljaar?

“Tijdens de periode van het afstandsleren heb ik hard moeten werken, maar ik zie de coronacrisis als een opportuniteit om nieuwe wegen in te slaan en om nieuwe kansen te creëren. Sommige leerkrachten vonden het een hele opgave om met ouders van leerlingen in moeilijke situaties te telefoneren of te videobellen. Ze hadden het gevoel dat ze verder moesten gaan dan hun rol of hun kunnen als leerkracht. Voor mij is het net bevrijdend om mij kwetsbaar te durven opstellen naar de ouders en duidelijk te maken dat je samen met hen een strijd wil winnen: een kind dat zich goed voelt op school en zich ten volle kan ontplooien. Ik startte tijdens de lockdown mijn miniklassen (waarbij extra uitleg werd gegeven aan kinderen die het moeilijk hadden) pas om 11 uur omdat ik wist dat ik anders één jongen die het heel moeilijk heeft, niet zou bereiken. Toen hij niet in de miniklas inlogde en de taken op het online oefenplatform niet maakte, werd ik ongerust. Ik probeerde de moeder telefonisch te bereiken. Toen dat niet lukte, stuurde ik haar een e-mail over mijn bezorgdheid om het werkritme van haar zoon. Dat werd niet goed onthaald. Ik belde de mama weer op en toen deed ze haar verhaal: “Juf, ik ben zelf ook het ritme kwijt”. De jongen was bezorgd om de gezondheid van zijn mama en sliep slecht. Het gezin was angstig. Dat zijn zaken die mensen je enkel tijdens een lockdown toevertrouwen. Dat is het positieve aan zo’n crisis: het kan mensen dichter bij elkaar brengen. Er moet wel voor de lockdown al een vertrouwensrelatie tussen leerkracht en ouders bestaan om tijdens het afstandsleren die goede relatie te kunnen bestendigen.”

Vaak wordt beweerd dat ouders van kinderen in armoede geen interesse hebben in school. Scholen zitten met hun handen in het haar omdat ouders in armoede niet naar het oudercontact komen. Wat zijn jouw ervaringen?

“Dit jaar kwamen alle ouders naar het oudercontact. Ik heb iedereen bereikt en daar ben ik heel blij om. Maar evident is dat niet altijd. Vorige jaren ben ik soms ouders thuis gaan opzoeken tot er een opening kwam voor een gesprek. Ik heb al erg moeilijke gesprekken gevoerd. Dat hoort bij de job van leerkracht. Mijn oudercontacten duren 20 minuten tot een half uur. Die tijd heb ik nodig om met mensen verder te kunnen praten dan alleen over de leerstof. We hebben het dan ook over het welbevinden, de betrokkenheid, het sociaal-emotionele en over hoe het thuis gaat.”

In Vlaanderen groeit 14 procent van de kinderen tussen de nul en de drie jaar op in armoede. Zijn leerkrachten voldoende gevormd om met kinderen in armoede om te gaan?

“Als je een kind ziet dat niet werkt voor school, heb je twee keuzes: je kan denken dat het niet wil werken en het vooroordeel bevestigen, of je kan geloven dat het ook anders kan. Stop niet voordat er verandering komt! Hoe kunnen we in de opleiding toekomstige leerkrachten leren te vertrekken vanuit een engagement zonder op voorhand te oordelen? Als ik aan Anna vraag hoe het komt dat ze niet werkt voor school, zegt ze dat mama en papa aan het werk zijn en dat ze het druk heeft thuis. Uiteindelijk is Anna wél beginnen te werken door de groeiende overtuiging dat ze het wel kon. Door extra zorg en waardering van haar medeleerlingen en dankzij Marc, een gepensioneerde die zich met passie vrijwillig buitenschools inzette voor kinderen die het moeilijk hebben op school, altijd met respect voor de ouders. We moeten onszelf de vraag stellen: Maken we voldoende duidelijk dat we in hen geloven of hebben we dat al opgegeven op voorhand, vanuit de vooroordelen die we hebben? Ook al is het niet evident gezinnen in moeilijkheden of armoede te bereiken, toch geraak je ver als je blijft uitgaan van de vraag of je iedereen bereikt en of iedereen zijn plek heeft bij uitstappen, cadeaus voor vader- of moederdag, verjaardagen en traktaties, de fietsproef, het huiswerk, de methoden die je gebruikt, in kringgesprekken na een vakantieperiode, je briefwisseling met ouders…  Je moet ervoor gaan om alles wat in een kind zit, eruit te halen, zelfs meer dan het kind of de ouders ooit vermoedden. Onder collega’s kan je leren niet gefrustreerd te geraken als iets niet meteen lukt, zonder dat anderen te verwijten.”

Het Netwerk tegen Armoede pleitte tijdens de lockdown voor digitale ondersteuning en infrastructuur en voor opvang op school voor kinderen met (risico op) leerachterstand. Wat is er volgens jou nodig zodat alle kinderen digitaal mee zijn?

“Onderwijs moet gratis zijn. Vroeger wilde dat zeggen: een potlood, gom en lat voor iedereen. Nu wil dat zeggen: een gsm voor de ouders, whatsapp, een computer thuis, en een hoofdtelefoon zodat kinderen zich kunnen isoleren. Die dingen zijn noodzakelijk voor elk huishouden, daarover moet niet meer gediscussieerd worden. Ik zie digitalisering als iets positiefs, het geeft veel nieuwe mogelijkheden tot communicatie. Het is de taak van de overheid en de school om ervoor te zorgen dat alle kinderen én ouders digitaal mee zijn. Dat betekent dat ze de middelen hebben en dat ze weten hoe die werken. Dat vraagt veel investering: je mag er niet van uitgaan dat mensen na 5 minuten uitleg al weten hoe een computer werkt, je moet ze blijven opvolgen. De lockdown heeft op dat vlak veel mensen de ogen geopend: de digitale kloof werd pijnlijk duidelijk.”

Je hebt ATD Vierde Wereld in Vlaanderen mee uit de grond gestampt. Hoe heeft dit engagement je carrière als leerkracht gekleurd?

“ATD heeft een bijzonder sterke kijk op de samenleving; nergens anders heb ik een even krachtige visie gevonden. Hun vertrekpunten zijn diepgang, respect, rechtvaardigheid en creativiteit. Toen ik nog volontaire was, ervaarde ik dat als een sterke kracht. Nu ik als leerkracht midden in de realiteit sta, is het vinden van die brede gedragenheid van je engagement veel moeilijker. Het is een voortdurende uitdaging om met collega’s datzelfde vertrekpunt te vinden, diezelfde keuzes te delen. Wat me van ATD altijd zal bijblijven, is dat je vragen moet stellen om tot verbinding te komen met mensen. Op reis in Rijsel kwam ik een vrouw tegen die niet te spreken was over mensen die niet werken: ‘Die werken niet en krijgen gratis geld. Wat voor voorbeeld is dat voor hun kinderen?’ Zij was landbouwer en had heel haar leven hard gewerkt. Als je met haar een conversatie aangaat, is het belangrijk dat ze zich gerespecteerd voelt in haar woede, want die komt ergens vandaan. Tijdens het gesprek zochten we naar het gemeenschappelijke: het moet anders, daar zijn we het allebei over eens. Met enkel geld geven kom je er niet, er is meer begeleiding nodig.”

Onderwijs is een sociale gelijkmaker, de kans om vooruit te geraken in het leven. Maar tegelijkertijd zijn er genoeg bewijzen dat de sociale ongelijkheid versterkt wordt op school.

“Wij werken op school volgens het sporenbeleid om te differentiëren in de klas. De leerlingen werken volgens hun eigen tempo en leren hun niveau in te schatten. Bij gelijk welke methodiek is het een uitdaging om het verschil in niveaus niet te blijven accentueren en ervoor te zorgen dat leerachterstand wordt bijgewerkt en ingehaald. Daar moet heel sterk op worden ingezet. Eigenlijk moet dat het uitgangspunt zijn. Werken in heterogene groepen waar iedereen van elkaar kan leren, een ‘samenspoor’, is daarbij heel belangrijk. Daarom werk ik niet meer met vinger opsteken in de klas, want als je je vinger opsteekt en een fout maakt, is dat vervelend. Ik laat de kinderen een dobbelsteen doorgeven langs een vastgelegde route zodat iedereen aan de beurt komt. Je kan de dobbelsteen doorgeven of proberen een antwoord te geven, dan maakt het niet uit als je een fout maakt. In vergelijking met 20 jaar geleden, toen ik aan mijn carrière als leerkracht begon, staan er nu meer collega’s open om armoede op school aan te pakken. Misschien omdat er in Overijse meer gezinnen bijgekomen zijn die moeilijker bereikbaar zijn? Mensen beginnen ruimer te denken en dat vind ik positief.”

 

Marte Lorent – Guy Malfait