Verhalen die altijd terugkomen – aan de onderkant

Het boek ‘Aan de onderkant ligt de lat altijd hoger’ verzamelt verhalen van mensen die dagelijks met de realiteit van armoede geconfronteerd worden. We spraken met co-auteur Guy Malfait over het doel van het boek, het aanpakken van vooroordelen rond armoede, en de weg er naar toe. 

Hoe is bij jullie het idee gegroeid om dit boek te schrijven?

Ik was nog in de Filipijnen toen we, drie jaar terug, begonnen met het project ‘Waarheid of Fabel?’ Dat was in de context van ‘fake news’, waar niemand nog weet wat waar is en wat niet. We zijn daarmee begonnen omdat we signalen kregen van mensen in armoede dat zij geconfronteerd worden met vooroordelen. We moesten daar iets mee doen. In Frankrijk hebben collega’s een dergelijk project heel feitelijk aangepakt met cijfermateriaal. Onze insteek was om die kennis te combineren met verhalen van mensen in armoede. Zuiver cijfermateriaal alleen laat mensen niet anders denken. We hebben dan bijeenkomsten georganiseerd waarna we een lijst van een 50-tal vooroordelen opstelden, geclusterd in 9 thema’s. De uitgever, EPO, stuurde ons er op aan om heel toegankelijk te zijn. Zo kunnen mensen, die nu nog niet overtuigd zijn, meer inzicht krijgen in armoede. Cijfers worden anders als ze een gezicht krijgen.

Als we verhalen vertellen, geven we ook tegelijkertijd een weerslag van de feiten. De verhalen en thema’s in het boek zijn niet toevallig gekozen. Er zit iets bij rond schulden, onderwijs, huisvesting, gezondheid, … Dat zijn geen uitzonderlijke gevallen. Al wat in het boek staat, zijn zaken die we vaak horen terugkomen.

Het boek wil vooroordelen over mensen in armoede aankaarten. Waarom zijn die zo hardnekkig?

Vooroordelen komen wanneer we geconfronteerd worden met mensen die anders zijn. Je zal die dan proberen begrijpen vanuit je eigen referentiekader. We spreken dan ook over mensen in (generatie)armoede als ‘De Vierde Wereld’. Niet als label, maar om duidelijk te maken dat het gaat om een volk met een eigen cultuur en geschiedenis. Als we daarmee geconfronteerd worden, gaan we zelf zaken invullen. Zo ontstaan visies die niet altijd stroken met de realiteit. Als je die visie dan ook gaat delen met anderen vergeet je dat het slechts om een interpretatie gaat. Zo zullen vooroordelen zich verspreiden.

Eigenlijk weten we heel weinig over armoede. Als je met mensen met een migratie-achtergrond te maken krijgt, weet je dat deze mensen een andere cultuur hebben en van alles hebben meegemaakt. Je bent bereid om een vertaalslag te doen. Maar bij mensen in armoede sta je niet stil dat ze ook heel verschillend zijn, niettegenstaande ze dezelfde taal en huidskleur hebben. Een socioloog uit Nederland verwoordde het ooit zo: ‘Het verschil tussen Jantje, uit Nederland, en zijn buurjongen Mohammed uit Marokko is 10x kleiner dan het verschil tussen Jantje en Kees die uit een achterstandswijk komt.’ We gaan vaak voorbij aan die laatste verschillen.

Wat verwacht je dat de lezer doet met deze collectie van korte verhalen?

Veel van de verhalen kunnen gebruikt worden in bijvoorbeeld scholen of opleidingen maatschappelijk werk. Waar er één verhaal is, zijn er vaak meer. Door meer inzicht kan je op een andere manier omgaan met mensen in armoede. Begrijpen wij voldoende waarom zij zaken op een bepaalde manier doen? Is onze interpretatie wel correct?

Ik denk dat empathie hier belangrijk is.  Afhankelijk van hoe je je opstelt kan je een verschil maken binnen eenzelfde wettelijk kader. In het boek staat het verhaal van Marc die verschillende keren naar het gemeenteloket moet gaan. Als bediende kan je echt het verschil maken in hoe zijn vraag wordt behandeld. Door je in de schoenen van een ander te verplaatsen leer je.

Vaak wordt er gezegd dat, wanneer iemand zich in een slechte situatie bevindt, de persoon ‘te lui’ of ‘te dom’ is. Daar willen we tegenin gaan omdat hier een zware denkfout wordt gemaakt. Ik wil absoluut niet ontkennen dat mensen die vooruit komen inspanningen gedaan hebben, maar hier is er ook een en-en verhaal. Het is niet voldoende om keihard te werken. Je hebt een portie puur geluk nodig. Heel vaak is dat geluk ‘kind van’ zijn: de wijk waarin je opgroeit, de scholen waar je heen gaat, je sociaal netwerk, … Die zaken spelen enorm sterk mee.

Het is typisch menselijk om te denken dat, wanneer iets goed gaat, dat onze verdienste is. Als het slecht gaat, dan is het ‘pech’. Ik denk dat we, in spreken over armoede, ondervinden dat mensen ‘die het gemaakt hebben’ bijna allergisch zijn aan tragische verhalen. Omdat ze dan het gevoel hebben dat wij zeggen dat alles van omstandigheden afhangt. Dat moet genuanceerd worden.

We willen mensen aan het denken zetten over hoe zij omgaan met armoede. Als er inzicht is, dan is er vooruitgang. Vooroordelen zijn niet per definitie slecht. De uitdaging is niet om zonder vooroordelen te zijn. We hebben allemaal vooroordelen. Ook wij, die het boek geschreven hebben. Iedereen die regelmatig met mensen in armoede in contact komt, of er meer over wilt weten, zou zich moeten kunnen vormen en inzichten verwerven in de wereld van armoede die, meestal, een totaal onbekende wereld is. We hopen dat dit boek, en de website aandeonderkant.be, daartoe kunnen bijdragen.

 

Vinnie De Craim

 

 

www.aandeonderkant.be