TWIJFELS en TIJDVERLIES – het verhaal van André Modave

Bruxelles, 1984©Luc Prisset / ATD Quart Monde – Centre Joseph Wresinski / 0318-001-005_032
Bruxelles, 1984©Luc Prisset / ATD Quart Monde – Centre Joseph Wresinski / 0318-001-005_032

 

Ontstaan in Frankrijk kreeg ATD Vierde Wereld in de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw voet aan de grond in België. Het is een verhaal van ontmoetingen en relaties. Verschillende broze draden hebben geleid tot een beweging die stilaan zichtbaar werd. Onmiskenbaar is het spoor dat André Modave getrokken heeft.

 

Arm tussen de armen

13 februari 1970. Om 17 u stapt de schoonmaakploeg van Vitrolux de brouwerij Van Den Heuvel in Molenbeek binnen. Voor André is het de eerste werkdag. Hij zal samenwerken met ‘de kleine Michel’. Het moet vlug gaan. André maakt de asbakken en de papiermanden leeg, gaat met een stofdoek over de bureaus, schikt de papieren en borstelt de onderkant van een kast. Michel draait en keert, zonder veel resultaat. Hij is niet onwillig, maar ziet niet wat gedaan moet worden. Hij gaat er met de grove borstel door en vindt al vlug dat zijn werk af is. Verbijsterd kijkt hij naar André. Die begint hem uit te leggen wat hij nog kan doen. Vol goede wil herneemt Michel het werk.

André is priester. Die keuze heeft voor hem enkel zin als hij zich kan inzetten voor de armsten. Hij wilde arm zijn tussen de armen. In het schoonmaakbedrijf wil hij werken zoals de anderen. Op drie uur tijd heeft hij een rol op zich genomen die hij had willen vermijden. Het is alsof hij in een valkuil getrapt is. Hij komt niet los van zijn achtergrond: zijn thuismilieu dat hem zorgzaamheid en de zin voor grondig werk heeft bij gebracht, zijn leidersrol in de jeugdbeweging die maakt dat hij zich tegenover Michel gedraagt zoals tegenover de jongeren waarvoor hij verantwoordelijk was.

Ook de socioloog die hij is heeft gefaald. Hij had zich moeten opstellen als een neutrale waarnemer, zonder het gedrag van de anderen te beïnvloeden. Een basisregel die hij hier aan zijn laars gelapt heeft.

Een kale reis

André  leert de Beweging kennen wanneer hij voor zijn studies sociologie een eindwerk moet maken. Toevallig stuit hij op het adres van een ‘Europese bibliotheek over armoede’ in Parijs, beheerd door een organisatie waar hij nog nooit van gehoord heeft: Aide à Toute Détresse (Hulp in alle Nood). Die Europese bibliotheek blijkt een groot woord te zijn voor wat het is, maar het brengt hem eveneens een eind buiten Parijs, in Pierrelaye, waar de hoofdzetel gevestigd is van die beweging. Hij ontmoet er Joseph Wrésinski en Gabrielle Erpicum, een Belgische vrijwilligster.

Op de trein terug naar Brussel heeft hij het gevoel dat hij van een kale reis terugkeert. Hij is geen stap vooruit in zijn studiewerk. Toch neemt hij terug contact op. Père Joseph heeft indruk gemaakt. André ontdekt een beweging die de noodhulp probeert te overstijgen en waar denkwerk en ervaringen samengebracht worden in een poging om een breed gedachtegoed uit te bouwen. Van zijn bisschop mag hij drie jaar lang met deze beweging meewerken.

Het is een intense tijd. Dat daar een einde aan komt verscheurt hem, tot Père  Joseph hem vraagt  om de Beweging ATD Vierde Wereld uit te bouwen in België.

In september 1969 is hij terug in Brussel. Hij zoekt mensen op, vertelt over zijn ervaringen, maar voelt al vlug dat ze naar hem luisteren als naar een ontdekkingsreiziger die uit verre oorden is teruggekeerd. Interessant zeggen ze, maar dat is België niet. En als er in België al armoede is: er zijn genoeg organisaties die hun nut bewezen hebben. Op zijn eentje iets beginnen is weinig realistisch, zegt men hem. Het is een koude douche.

Alles leek zo eenvoudig toen hij in Frankrijk was: een arme bevolking, voor een groot deel bewoners van bidonvilles, een kern van solidaire vrijwilligers die ook vrienden waren, het verlangen om naar de armste gezinnen te luisteren, de aanwezigheid van Père Joseph met zijn fascinerende persoonlijkheid. In Brussel staat André er alleen voor.

 

De Vanderstraetenstraat

Hij zoekt verder. Op een dag vertelt de verantwoordelijke van Téléservice[1] hem dat zijn organisatie regelmatig moeilijkheden heeft met gezinnen die totaal ontwricht zijn en die niet kunnen omgaan met de hulp die allerlei diensten hen bieden. De verantwoordelijke vermoedt dat André naar dat soort mensen op zoek is en waarschuwt hem: je verdoet je tijd, terwijl je bij ons zoveel  nuttiger zou kunnen zijn. Voor André werkt dit als een knipperlicht. Er zijn in België dan wel geen bidonvilles zoals rond Parijs, maar er zijn wel armen, en ze leven verspreid in de stad, wellicht talrijker in de volkse wijken.

Hij bestudeert de kaart van Brussel en doorkruist de stad  elke dag, tot hij weet waar hij best gaat wonen: in de Vanderstraetenstraat in Molenbeek, een anonieme volkse buurt met veel oude huizen die slecht onderhouden zijn. Op 15 januari 1970 neemt hij met enkele meubels, een valies en een schrijfmachine zijn intrek in een kamer op een benedenverdieping. Toch bekruipt de twijfel hem:zal hij in deze omgeving de armsten ontmoeten? Had hij zich toch niet beter aangesloten bij een andere organisatie? Met zijn verhaal over de allerarmsten is hij als onverzettelijk overgekomen. Hij heeft mensen gekwetst die het goed menen en die zich al jaren inzetten door hen het gevoel te geven dat zij de armsten niet echt bereiken. Dat is niet de weg die hij wil gaan. Hij leert om discreter te zijn en af en toe te zwijgen.

Twee dagen nadat hij aangenomen is als schoonmaker begint André dagboeken bij te houden.  Père Joseph had dat van bij de aanvang aan zijn medewerkers gevraagd. Al die verslagen zouden beetje bij beetje bijdragen tot de opbouw van een collectief geheugen. Op die manier is binnen de Vierdewereldbeweging een schat aan kennis opgebouwd.

Langzaamaan begint men Andrè te kennen in de buurt. Hij is alleen en leeft arm. Men kan bij hem terecht. Sommigen verwijten hem dat hij zich teveel inlaat met mensen die een slechte reputatie hebben in de buurt. André raakt gehecht aan deze mensen van wie hij voelt dat ze zijn denken aanscherpen en zijn engagement versterken. Soms afgeschrikt door de ruwe omgangsvormen en ontmoedigd door gewelddadige relaties leert hij toch zien wie zij zijn. Het respect dat hij geeft krijgt hij terug.

 

Anna

Op een ochtend ziet André een vrouw die de vuilbakken van de buren doorzoekt. Hij groet haar. “Ik zoek eten voor mijn beesten” zegt ze. Hij haalt haar wat brood.

Enkele dagen later wordt hij aangesproken door Anna. Heel de buurt kent ‘mooie Anna’. Ze werkte jarenlang aan het Noord en heeft hierdoor een slechte reputatie. Ze nodigt hem uit om bij haar foto’s van Lourdes te komen bekijken. “Ze zijn van de vrouw aan wie je brood gaf”, zegt ze. “Om je te bedanken vroeg ze me die foto’s aan jou te tonen”.

Anna woont amper honderd meter verder. Op een dag neemt ze André, die denkt de buurt al wat te kennen, mee naar een plaats waarvan hij geen vermoeden heeft.  Door de gang van een groezelig huis bereiken ze een nog veel bouwvalliger achterhuis. “Ik ken alle steegjes in Molenbeek en de mensen die er wonen” vertelt Anna. “Ik kom uit dat milieu”. Anna vertelt erover, zonder schaamte, en dat is nieuw voor André. Haar verhalen zijn een bevestiging van wat André in de bidonvilles rond Parijs leerde: deze mensen kennen elkaar, ze zijn met elkaar verbonden door een lange geschiedenis van uitsluiting en lijden. Uit respect voor Anna en de haren verdiept André zich in hun geschiedenis. Anna is de kleindochter van een moedige maar arme arbeider, die de hongersnood in Vlaanderen ontvluchtte, en werk zocht in de nieuwe fabrieken van Molenbeek.

Hoop en wanhoop

Kan André wel blijven spreken over de moed van deze mensen, terwijl hij toch vaak geconfronteerd wordt met dronkenschap en geweld?

‘Je ziet hier teveel. Je begint ons te kennen en je verdraagt ons. Maar het zal je hard maken en op een dag zul je vertrekken, omdat we niet de moeite waard zijn.’ Dat zeggen hem de mensen van de buurt. Deze mensen durven niet geloven in hem, zoals ze ook niet in zichzelf kunnen geloven.

Vaak is het ook hard voor André. Van onschatbare waarde is dat hij bijna dagelijks schrijft. Het is zijn band met andere vrijwilligers van de beweging die elders met dezelfde vragen geconfronteerd worden.

André krijgt het gevoel dat hij stilaan een beetje beweging kan vormen met deze mensen. Vanaf 1972 wordt een tijdschriftje gemaakt. Als de mensen uit de steegjes getuigen van hun leven, als ze uitleggen wat ze denken, dan brengen ze niet enkel zichzelf in beeld, maar ook duizenden andere uitgeslotenen in België.

 

Een nieuw begin

De beweging is nog jong als ze in 1976 haar intrek kan nemen in een huis aan de Victor Jacobslaan in Etterbeek. Het zal een huis voor vorming en ontmoeting worden. In Molenbeek kwamen mensen van de wijk samen. In Etterbeek ontmoeten mensen in armoede uit andere Brusselse gemeenten elkaar. Later zullen ook lokale groepen zich vormen in Wallonië. In 1982 is er een groot feest in Vorst-Nationaal: de internationale beweging ATD Vierde Wereld bestaat 25 jaar. Er zijn ook Vlamingen aanwezig. Het startsein voor de uitbouw van een Vlaamse tak van de Vierdewereldbeweging.

Georges de Kerchove schreef in 1992 de kroniek van de Vierdewereldbeweging in België.  Daarop is dit artikel gebaseerd (G. de Kerchove, Les gueux sont des seigneurs, Editions Vie Ouvrière, Bruxelles 1992)

 

[1]Espace Social Télé-Service, dat in 1961 werd opgericht, is een private en pluralistische vzw met als missie het onthalen en begeleiden van eenieder die in moeilijkheden zit, in een precaire situatie of grote armoede leeft. (espacesocial.be)