Een lokaal waar de radiatoren nog suisden (Uit: Ik heet Lucy Barton – Elizabeth Strout)

Een lokaal waar de radiatoren nog suisden

‘Wij waren zonderlingen, ons gezin, zelfs in dat boerendorp Amgash in Illinois, waar wel meer huizen stonden die verwaarloosd waren en een verfbeurt konden gebruiken, zonder luiken of tuin, zonder ook maar iets moois dat het oog trok.’

Lucy Barton woont nu in New York, ze is getrouwd en heeft twee dochtertjes. Complicaties na een operatie houden haar weken in het ziekenhuis. Haar moeder komt op bezoek. Lucy is heel blij met dat bezoek. Ze heeft haar moeder al enkele jaren niet meer gezien. Helemaal alleen, met het vliegtuig, is ze gekomen. Ze blijft enkele dagen en nachten aan het ziekbed van Lucy zitten. Ze vertelt over mensen uit het dorp. Het maakt in Lucy de herinneringen aan vroeger wakker.

‘Er wordt wel gezegd dat kinderen hun situatie als normaal accepteren, maar Vicky en ik begrepen allebei dat wij buitenbeentjes waren. Dat kregen we op de speelplaats van andere kinderen te horen. ‘Jullie familie stinkt’, en dan knepen ze hun neus dicht en renden weg; mijn zusje werd er door haar onderwijzer in groep vier – voor de hele klas – op gewezen dat armoede geen excuus was voor vuil achter je oren, dat niemand te arm was om een stuk zeep te kopen.’

Lucy heeft nu een heel ander leven. ‘Er zijn dingen die een gekozen weg bepalen en zelden zijn te achterhalen of precies aan te wijzen, maar ik moet wel eens denken aan alle keren dat ik na de les op school bleef, waar het warm was, alleen om het warm te hebben. De conciërge liet me altijd met een zwijgend knikje en een heel vriendelijke blik in een lokaal waar de radiatoren nog suisden, en daar deed ik dan mijn huiswerk. Vaak hoorde ik de flauwe geluiden uit het gymlokaal van de cheerleaders die repeteerden of het stuiten van een basketbal, en soms repeteerde de band in het muzieklokaal, maar ik bleef in mijn eentje en warm in het lokaal, en daar heb ik geleerd dat werk af komt als je het gewoon doet. Ik zag op een bepaalde manier de logica van mijn opdrachten, die ik nooit had kunnen inzien als ik mijn huiswerk thuis had gedaan. En wanneer ik mijn huiswerk af had ging ik lezen – totdat ik uiteindelijk weg moest.’

En dan was er ook nog mijnheer Haley, een jonge leraar die  aardrijkskunde en geschiedenis gaf, en op een dag  ‘zag ik Carol Darr, een populair meisje, iets doen – ze maakte een bepaald soort handgebaar dat, wist ik uit ervaring, bedoeld was om me belachelijk te maken, en dat deed ze voor haar vriendinnen zodat die me ook belachelijk vonden. En ik weet nog dat mijnheer Haley rood aanliep en dat hij zei: Waag het niet te denken dat jij beter bent dan iemand anders, dat duld ik niet in mijn klas, er is hier niemand beter dan iemand anders, ik zag een paar van jullie net een gezicht trekken waaruit blijkt dat jullie denken beter te zijn dan iemand anders, en dat duld ik niet in mijn klas, nooit.

Ik keek even naar Carol Darr. In mijn herinnering keek ze beschaamd, voelde ze zich rot.

Ik was stilletjes, op slag grenzeloos verliefd op die man. Ik heb geen idee waar hij is, of hij nog wel leeft, maar ik houd nog steeds van die man.’

 

M.T. Poppe

 

Elizabeth Strout won in 2009 de Pulitzerprijs voor haar roman ‘Olive Kitteridge’ (Nederlandse titel: Winter).