Katrien belt aan in een straat waar de gevels hun beste tijd hebben gehad. De stoeptegels liggen scheef, een fiets zonder slot leunt tegen een verweerde deur. Geen chique wijk, wel een van de armere buurten in een dure Brusselse gemeente. Hier woont Kathy, met wie Katrien de Volksuniversiteit voor de eerste keer thuis zal voorbereiden.
Kathy’s appartement telt één slaapkamer. Die is voor haar tienerdochter. Kathy zelf slaapt op de zetel in de living. En dat voor 800 euro per maand. Het is geen sociale woning, want ze staat al jaren op de wachtlijst.
Het appartement is in slechte staat. Katrien ziet zwarte schimmelstipjes op de raamkozijnen. En de muren zijn dun, vertelt Kathy. Letterlijk en figuurlijk. Kathy hoort de buren praten, lachen, ruziemaken. Soms lijkt het alsof hun leven zich in haar woonkamer afspeelt. En dus maakt Kathy zich klein. Ze zet de televisie stiller dan ze zelf zou willen. Ze stapt op kousenvoeten. Ze lacht gedempt. En na 22 uur durft ze het toilet niet meer door te trekken. Ze wil niet aangesproken worden in de gang, niet herkend worden als “die van het lawaai”.
Opmerkelijk, bedenkt Katrien. Straks zal Kathy luid het woord nemen op de Volksuniversiteit, maar thuis moet ze leven op fluistertoon.
Evelien Lambrecht