Jaarboek armoede – aan de onderkant is het niet goed wonen

Waarom raakt dit niet opgelost?

 

Geen urgentie

Op 5 december ging ik in de Universiteit Antwerpen naar de voorstelling van het Jaarboek 2025: een kanjer van meer dan 500 bladzijden. Het auditorium zat bomvol. Het panelgesprek ging over wonen, met drie deelnemers uit het werkveld en de schepen van huisvesting van de Stad Mechelen. Hun kijk hielp ons door de bomen het bos te zien, geholpen door de pertinente vragen van moderator Bernard Hubeau. Goed wonen voor iedereen: hebben we vooruitgang geboekt? Neen, integendeel, is de teneur. Enkel de schepen vond: ‘Aan de ene kant gaat het slechter, aan de andere kant beter, afhankelijk van de invalshoek.’ Verder onthoud ik wat de coördinator van het Vlaams Huurdersplatform zei: dat er bij het beleid geen gevoel van urgentie is voor het woonprobleem. En dat de alternatieve oplossingen veel versnippering kennen, waardoor veel energie gaat naar de opstart van initiatieven die al bij al kleinschalig blijven.

Zere plekken

Het jaarboek is een ware cijfergoudmijn. Armoede is een veelkoppig monster: inkomen en vermogen, uitkeringen, schulden, werk, onderwijs, huisvesting, gezondheid, maatschappelijke participatie, voedselbedeling. Overal zijn er zere plekken.

Wonen is het thema dat in dit jaarboek uitgediept wordt. Dat onderwerp kent meer dan één zere plek. Daarom wordt gesproken over ‘crises’, in het meervoud:  wooncrises en woningcrises.

Huurders en eigenaars

Is het allemaal kommer en kwel? Een groot deel van de Vlamingen is tevreden over hun woonsituatie en als de vrijetijdsindustrie een maatstaf is, geeft ook niet iedereen elke euro uit aan wonen. Inzoomen op cijfers, ontrafelen, hergroeperen, interpreteren, verbanden leggen: dat is wat de onderzoekers doen. Ze stellen kritische vragen, nuanceren, hebben oog voor verschuivingen op korte termijn en voor de impact van schokken zoals Covid en de oorlog in Oekraïne, ze zoeken de trends op lange termijn.

Vlaanderen kent al decennialang een groot aantal huiseigenaars. De laatste jaren blijft het aandeel eigenaars-bewoners stabiel rond 70%. Niet alle gezinnen met een hoog inkomen wonen in hun eigendom. Omgekeerd bevinden niet alle kwetsbare gezinnen zich op de huurmarkt. Neem de groep van mensen met een laag inkomen, de laagste 20% . In die groep is zelfs de helft eigenaar, 35% is private huurder en 15% is sociale huurder. De private huurmarkt is een jungle voor gezinnen en alleenstaanden met een laag inkomen. In tijden waarin verhuurders vaak een loonstrookje willen zien, staan zij achteraan in de rij.

Betaalbaarheid

Het wordt verontrustend als je naar de betaalbaarheidsrisico’s kijkt. Die worden berekend met de 30%-regel: geef je meer dan 30% van je inkomen uit aan huur of afbetaling, dan is dat een risico. Met de energiekosten erbij wordt 40% als risicogrens genomen. De betaalbaarheidsrisico’s voor de laagste inkomens zijn de laatste jaren duidelijk toegenomen. Bovendien is de 30%- regel maar een deel van het verhaal is. Het gaat er ook om hoeveel euro’s je overhoudt na het betalen van je woonkosten en of dat in jouw situatie voldoende is om een menswaardig leven te leiden.

Een groot deel van de Vlamingen woont in een degelijke woning met voldoende comfort, ook al is er nog veel werk aan de winkel om de energienormen te halen tegen 2050. De meest kwetsbare groepen zijn oververtegenwoordigd in de woningen met structurele gebreken en andere tekortkomingen. In de slechtste woningen vinden we ook eigenaars-bewoners die misschien geen betaalbaarheidsrisico hebben omdat de woning afbetaald is of de toenemende inflatie die afbetalingslast tempert, maar ze hebben wel geen budget om noodzakelijke verbeteringen uit te voeren.

Sterke overheidsrol

Dus ja, de schepen in het panel heeft gelijk: niet alles gaat slechter. Mooie nieuwbouwprojecten en stevige renovaties, je ziet het in het straatbeeld. Maar er tekent zich wel een toenemende ongelijkheid af. De andere panelleden hebben ook gelijk als ze zeggen dat het slechter gaat, want zij spreken vanuit de meest kwetsbare groepen.

De conclusie ligt voor de hand: er is een beleid nodig dat zich volop richt op die mensen waarvoor wonen nu een groot knelpunt is. Meer sociale woningen zijn een must. Er staan in Vlaanderen 188.000 mensen op de wachtlijst. Als iedereen die er recht op heeft zich zou inschrijven, wordt dat een wachtlijst van 250.000. De overheid moet een sterkere rol spelen, de markt alleen lost het niet op. Hier niet en in andere landen ook niet. Wonen moet gezien worden als een volwaardig onderdeel van sociale bescherming.

Geen politiek gewicht

Wisten we dat niet al? Pascal De Decker, socioloog en ruimtelijk planner, verwijst in zijn bijdrage in het jaarboek naar acties die twintig jaar geleden de woonproblemen in Gent aankaartten, en naar een conclusie van expert woonbeleid Luc Goossens uit 1985: het woonbeleid is naast de kwestie. Waarom veranderde er sindsdien nauwelijks iets? ‘Niet omdat er geen mensen in woonarmoede verkeren, maar omdat ze blijkbaar noch een maatschappelijk noch een politiek probleem vormen.’ De Woonzaak, een alliantie van zeventig verenigingen, legde die klacht voor aan een Europese instantie, die bevestigt dat voor vele Vlamingen het recht op wonen niet gerealiseerd is. Maar Pascal De Decker is er niet gerust in: het idee dat de meeste Vlamingen goed wonen, leeft zo sterk dat het maatschappelijk probleem klein lijkt, ook al is het leed groot voor de getroffenen. Nieuwe wooninitiatieven gaan over betaalbaarheid of ze leggen de nadruk op duurzaamheid, nog andere nemen ‘zorg’ als invalshoek. En dan verschillen ze nog in hun aanpak. Dat helpt niet om politiek gewicht te geven aan de ‘woonactie’. Integendeel, het werkt zelfs averechts. ‘De reuzegrote gaten die markt en overheid laten, lijken (!) immers door de civil society te worden ingevuld.’ De overheid beperkt zich tot het stimuleren van experimenten en project’jes’. En ze wil ook tegemoetkomen aan wat nieuwe spelers en marktpartijen vragen: minder regels. Sommige van de alternatieve projecten zijn betekenisvol en verdienen het om op grotere schaal uitgerold te worden, maar dat vereist engagementen op lange termijn, en dat spoort niet met de korte termijn van de politieke cycli.

Thuisloosheid bestaat ook in kleine gemeenten

In grote steden is de dakloosheid zichtbaar in straten en stations. Het zestiende en voorlaatste hoofdstuk van het jaarboek gaat over dak- en thuisloosheid in kleine gemeenten. Dakloosheid wordt pas sinds 2020 systematisch gemeten in België en dat brengt een omvangrijke groep in kaart in kleine steden en gemeenten. Er zijn de mensen die in caravans of chalets wonen. In Vlaanderen valt bovendien het hoge aandeel personen op dat in een instelling verblijft en die moet verlaten, zoals Fedasil-opvangcentra of psychiatrische ziekenhuizen. Er zijn de mensen die tijdelijk bij familie of vrienden verblijven, of in ruimtes die geen woning zijn. Een ruime benadering van het begrip dak- en thuisloosheid is nodig om de omvang van de problematiek te kennen en een beleid te ontwikkelen dat ook deze verborgen groepen bereikt.

Pleidooi

Slecht wonen leidt tot tragische situaties en tot onbehagen. Het treft vooral kwetsbare groepen die ook al door andere processen getroffen worden. Voor jongeren is de start uiterst moeilijk. Lisa  getuigde bij de voorstelling van het jaarboek: ze kon sinds haar 19de niet meer bij haar ouders terecht en logeerde jarenlang bij vrienden. Ze is nu 27, heeft een job en een klein appartement. Per maand houdt ze 400 à 500 euro over om  te leven. Door heel het Jaarboek loopt een pleidooi voor een woonbeleid dat naast maatregelen op korte termijn ook de lange termijn niet vergeet. En dat eerst de problemen aan de onderkant aanpakt.

M.T. Poppe

0
    0
    Je winkelmand
    Your cart is emptyNaar vorige pagina