’Ik kon niet om de armoede in Brussel heen’

Marcel Cloet, pastoor van St.-Gillis en voorzitter Welzijnszorg

Artikel geplaatst 17 juni 2008 Print Friendly

'Ik kon niet om de armoede in Brussel heen'

Dit artikel is gepubliceerd in het Vierde Wereldblad van mei-Juni 2008. Een PDF-versie vindt u hier.

"De armoede, dat zijn cijfers; de armen, dat zijn mensen." Dat zegt een man die contact zoekt met de meest gekwetste, uitgesloten mensen. Maar ook een man die met cijfers, analyses en maatschappelijk draagvlak de politiek bestookt in de strijd tegen armoede. Marcel Cloet (64), pastoor van het Brusselse St.-Gillis, een van de armste gemeenten van België, en voorzitter van Welzijnszorg.

Op een grote tafel in de woon- en werkkamer in zijn stukje van de ietwat vervallen monumentale pastorie liggen de gesorteerde krantenknipsels en de keurige aantekeningen per onderwerp op fiches klaar. “Brusselse kloof arm-rijk dramatisch” kopte de voorpagina van De Standaard op 29 maart. “Dat ruim de helft van de allochtone jongeren hier geen werk heeft beschouw ik als een tijdbom”, aldus Marcel Cloet, die een vergelijking maakt met de situatie in de Parijse banlieues.

Omdat Brussel aanzienlijk kleiner is en omdat de arme allochtonen meer in de stad wonen dan letterlijk buitengesloten aan de rand, vermoedt hij dat de Brusselse situatie misschien minder ernstig, maar toch zéér ernstig is: "Die jongeren zien de weelde van anderen. Ze worden ook 18, krijgen een meisje en willen een gsm en vooral een toekomst. Er moet niet veel gebeuren of het loopt uit de hand. Bij de laatste verkiezingen is de sociaal-economische situatie van Brussel veel te weinig aan bod gekomen."

Gedreven

"Ik kon niet om de armoede in Brussel heen", verklaart de immer nog gedreven West-Vlaming (Pittem,1943). In de 13 jaar dat hij achtereenvolgens proost was van de KWB (Kristelijke Werknemersbeweging) en WBCA (de internationale KWB-KAV) woonde hij al in de hoofdstad, in Molenbeek. Toen hij 62 werd vroeg hij aan de bisschop om in Brussel tussen de armsten te mogen werken. Het werd het zeer multiculturele St.-Gillis (113 nationaliteiten), nabij het zuid-station, waar hij verantwoordelijk is voor de Nederlandstalige pastoraal.
De wekelijkse eucharistieviering wordt wegens het beperkte aantal bezoekers in een kring bij het altaar gehouden. Vaak zit op een bank achter in de kerk ’Louis’, een dakloze man met wie Marcel Cloet een band heeft gekregen. Niet zelden gaat Louis tegenwoordig in de kring zitten. Meestal maar even, want zijn onrust drijft hem steeds naar andere plekken. Na de mis gaat hij mee naar het zaaltje achter de kerk, waar de parochianen koffie drinken.

Niet met scheve ogen

Marcel Cloet gaat iedere week een halve dag naar het dagcentrum waar Louis en veel andere gekwetste, uitgesloten mensen bijeen komen. "Niet als sociaal werker of pastoor, maar als Marcel, met de vraag wat kan Marcel hier betekenen. Niet door geld of goed te geven. Wel door de mensen te laten voelen dat ge hen werkelijk waardeert en niet met scheve ogen bekijkt."
Hij zet vraagtekens bij het verschijnsel voedselbanken, waar inmiddels meer dan 100.000 mensen in België gebruik van maken. "Hoewel ik begrijp dat je mensen die honger lijden eten wil geven, worden zij op deze manier gereduceerd tot behoeftigen. Armoede is onrecht, een schending van de menselijke waardigheid. Daar wordt op deze manier aan voorbijgegaan. Een goede sociale zekerheid zou beter zijn."

Dom Helder Camara

Aan de muur van de woon-werkkamer prijkt een poster van Dom Helder Camara, de Braziliaanse bisschop die het voor de armen in zijn land en in heel Latijns-Amerika opnam. Cloet ontmoette Camara peroonlijk in 1983 in Brazilië in diens eenvoudige woning: “Een indrukwekkende ervaring”. Hij nam woorden van Camara als motto over: "Als ik voedsel geef aan de armen noemt men mij een heilige. Als ik vraag waarom de armen geen voedsel hebben noemt men mij een communist."
Evangelisch geïnspireerd als hij is, kan je Marcel Cloet moeilijk een communist noemen, maar toch laat hij zich welgemeend ontvallen dat "het kapitalisme veel kapot maakt." Hij is ook teveel een man van de arbeidersbeweging om de bestrijding van de armoede alleen als een daad van naastenliefde vanaf de kansel te preken. Hij gelooft stellig in het belang van vorming: "Geen humanisatie zonder educatie. Alleen door vorming kunnen mensen hun lot in eigen handen nemen. Onder meer door mijn ervaringen bij de KAJ (Kristelijke Arbeidersjongeren) en KWB weet ik hoe belangrijk, noodzakelijk zelfs, het is."

Arm maakt ziek

Om de publieke opinie en de politiek te beïnvloeden organiseert Welzijnszorg een jaarlijkse campagne, met steeds een ander thema. In 2007 was dat onderwijs. Dit jaar zal het de gezondheidszorg zijn.

"Niet voor de eerste keer, maar helaas zeer noodzakelijk. In 1998 was de slogan: Arm maakt ziek - Ziek maakt arm. Met die vicieuze cirkel hebben we nog steeds te maken." Cloet hekelt onder meer de vrijwillige hospitalisatieverzekeringen: "Bij de KWB hebben we ons er destijds met hand en tand tegen verzet. We voorzagen dat mensen die het geld of de cultuur niet hebben om zo’n verzekering te nemen, uit de boot zouden blijven vallen. En dat is precies wat er is gebeurd."

Tochtgenoten

Er is een grote gelijkenis tussen het werk van de 110 Welzijnsschakels in het land en de aanpak van de Beweging ATD Vierde Wereld, weet Marcel Cloet. "Mensen in armoede die met elkaar en met mensen die niet in armoede leven samen op weg gaan, tochtgenoten worden, is, naast het politieke werk, de enige weg. Je ziet de mensen groeien. Dat gaat niet in een week, zelfs niet in een jaar, maar in jaren. Het duurt vaak heel lang voor de mensen je überhaupt vertrouwen, voor ze voelen: ’die meent het met ons’." De woorden van een zeer arme vrouw zijn hem altijd bijgebleven: "Tussen ons en u staat een muur. Jullie hebben er een gat in gemaakt, waar jullie van alles doorsteken, maar ge breekt de muur niet af."

Jozef Cardijn

Marcel Cloet vermoedt dat de KAJ is ontstaan uit een vloek van oprichter kardinaal Jozef Cardijn toen hij toen hij het schreeuwende onrecht zag dat de werkende jongeren werd aangedaan: “Zoiets als: ‘Godverdoeme, dat kan toch niet!’" Hij trad in ’s mans voetsporen als nationaal proost van de KAJ (na zijn studies in Leuven en Rome en nadat hij ACW-proost was geweest in Ieper). Het temperament van Cardijn is hem niet vreemd: "Zolang je nog oprecht verontwaardigd kunt worden, kan je ook nog verantwoordelijkheid op je nemen om werkelijk iets aan onrecht te doen. Heilige onrust, noem ik dat".


Tekst en foto: Jos Delisse